De eerste fietsdag! Dat betekent heel vroeg het huis uit sluipen, om half 5, en de weg op. De koelte is heerlijk, ik kan zelf een vest dragen. Die gaat na een kilometer wel weer uit, want vanuit Herceg Novi begint de route meteen met een klim van 900 m. Dat gaat stap voor stap, in de laagste versnelling. Het uitzicht is betoverend: in de verte boven de zee zijn zelfs wolken te zien, die daar waarschijnlijk alleen ‘s nachts hangen.
De zon komt op en verbergt zich nog achter de bergen, waardoor ik nog wat langer van de schaduw kan genieten. Om half 9, na 3,5 uur fietsen, is het echter al te warm op de berghelling, en moet ik stoppen bij elk boompje schaduw om water te drinken.
Dan bereik ik de grenspost met Bosnië-Hercegovina. Ik fiets zo de tientallen auto’s voorbij en krijg een stempel in mijn paspoort. Ik hoopte na een lange weg zonder dorpjes hier water te vinden, maar er is geen kraan. Van een grenswachter krijg ik wel een half flesje koud water.



In Bosnië kijk ik uit over een droge vallei waar de bergen als cuestas uit steken. De warmte zindert en ik rij door tot Trebinje.
Daar zoek ik verkoeling in het park en vul mijn tank met kikiriki (pinda’s) kukuruz (knapperige zoute mais) en veel water. Ik val met met neus in de boter, want in de orthodoxe kerk is net een bruiloft afgelopen.
De Bosnische bruiloft
Drie kleine mannetjes komen uit de schaduw tevoorschijn met trommel, tuba en trompet. Ze leggen hun sigaretten weg en spelen plots meeslepend en heel hard Balkanmuziek. Niet op gepaste afstand, maar recht in het gezicht van de bruid en bruidegom, die er dansend briefjes geld in stoppen. Na drie minuten is het schouwspel alweer voorbij: terwijl de stoet gasten verder loopt brokkelt de muziek af en worden de laatste slagen gemaakt met één hand terwijl de andere hand alweer de sigaret vastheeft.

Terwijl ik op een terras in het aanliggende park zit komt de stoet nog driemaal voorbij flaneren. Twee enorme vlaggen van de republiek Srpska binnen Bosnië maken ook van deze bruiloft een politiek statement.
‘s Avonds val ik weer met mijn neus in de boter: er is ook hier een folklorefestival! Groepen uit de omliggende landen en streken komen in een parade het centrum in gelopen en beginnen de kolo te dansen op het plein, en ik voeg me net als wat anderen enthousiast in de rij.
Groepen uit verschillende streken dansen de sterren van de hemel, hele families in traditionele kleding lopen rond, bijzondere stemmen dragen door de straten. Ik raak in gesprek met een Servische muziekgroep en de mannen nodigen me uit op het terras. Daar wordt me rakija ingeschonken en praten we over de muziekstijlen en over de streken waar ze voor staan. Een enkeling spreekt Engels, en vertelt me dat hij zich liever ver van politiek houdt en samen muziek maakt en danst. Dat is hier niet makkelijk: alles heeft hier een lading en is een statement. Zo klinkt dit festival als een mooie samenkomst van culturen, maar wordt er ook afstand gehouden, zoals ook bij het festival in herceg Novi. Bepaalde liedjes kunnen over weer niet worden gezongen. Zo kan de Servische Alexander het Kosovaarse lied Vetar Duse niet los kon zien van pijn van verdreven mensen.



Het is nu toch laat geworden, tijd om de camping te zoeken. Ik zie in de verte een verschrikkelijk lelijk luxe complex opduiken, inclusief nepkasteel, daar hoef ik niet te staan. Maar het voelt veilig zo de eerste nacht, en met de schorpioen op de weg weet ik niet of ik in het hoge gras wil wildkamperen. Aldaar blijkt er een soort onafgemaakt parkeerterrein te zijn met mooi kort gras, en ik kan met uitzicht op luxe toch wildkamperen.
