In Tbilisi is het nog altijd even heet. Ik slaap een nacht in het over-hipte Fabrika-hostel en breng de dag door met kuieren en schaduw-hoppen rond het stationsgebied van de stad. In het park bij de rommelmarkt is een grote fontein en net als de vele kinderen en ouders daar geniet ik van een afkoelende plens water.

In alle vroegte vertrek ik weer uit Tbilisi, per trein naar Batumi. De treinkaartjes waren schaars dus ik ben blij dat ik er überhaupt heen kom. Ik kocht enige ticket dat over was en breng de reis in business-class door. Er wordt zelfs thee geserveerd! Het is een hele omschakeling, al dit comfort, en in mijn verschoten fietskloffie val ik licht uit de toon.

In Batumi slaap ik een nachtje in ‘hostel 47’. Dat blijkt een schot in de roos: het is een kleine maar fijne plek die met alle liefde wordt bedreven door gastvrouw Lina. Met de gezellige solo-reizigers Dimitri en Hugo voelt het er als een vertrouwde huiskamer van komen en gaan. Die avond blijkt er zelfs nog een dansvoorstelling te zijn in het theater, als onderdeel van een internationaal festival. 

Ik heb nog een paar dagen tot de boot terug vaart de Zwarte Zee over, en ik heb genoeg van de klamme, luidruchtige casino-stad waar het lijkt te draaien om luxe en consumptie. Daarom besluit ik nog een rondje te gaan fietsen, de bergen in. Daarvoor moet ik eerst de stad uit: langs de kustlijn vol megalomane wolkenkrabbers, langs stinkende industrie en randgebieden waar het naar afval en dode dieren ruikt. Mijn humeur is net zo grijs als de egaal bewolkte lucht. Ik beland op een weg waar net genoeg ruimte is voor passerende vrachtwagens, maar waar op fietsers zeker niet gerekend is. Een paar spannende uren later besluit ik dus een andere route te nemen: ik neem een doodlopende weg de bergen in richting de grens met Turkije.

Dat blijkt een goede keuze: meteen keert de rust in mij terug en kan ik weer wat genieten van het fietsen. In plaats van een gespannen blik op de weg heb ik nu tijd om de landschappen me heen te bekijken. De verzadigd groene bossen hangen in flarden wolken en een wilde rivier stroomt in het dal. In een bushokje wacht ik een plensbui af en wordt vergezeld door voorbijslenterende koeien, die het allemaal niet deert.

Bij een restaurant is een geïmproviseerde camping op het grind. Terwijl ik kook arriveren er echter steeds meer auto’s met feestgangers. Naast de tent wordt een enorme box geïnstalleerd en wordt het startschot gegeven voor een luidruchtige avond… Bij nader inzien was een camping toch niet zo waar ik naar zocht. Ik fiets verder en vind een sprookjesachtige wildkampeerplek in een weide naast de rivier, onder een enorme walnotenboom. 

In de nacht krijg ik bezoek van een hond die in de ochtend nog steeds nieuwsgierig op me ligt te wachten. We sluiten een vriendschap hij zal me twee dagen lang ‘beschermen’ voor koeien en me volgen in de omgeving 🙂

De weg leidt verder de groene bergen in. Plots hoor ik muziek in de verte: zou ik er heen kunnen komen voor het weer stil valt? Ik trap de steile bergweg hoog en volg mijn oren die me over een onverhard pad brengen. Daar staat plotseling een parkeerplaats vol met touringcars. Hier bedrijft een folklore-familie een flink restaurant met dansvoorstellingen en workshops. Ik vraag of er nog wat eten over is en krijg van de aardige meisjes die serveren een flink maal voorgeschoteld dat ik niet mag betalen…! Als kers op de taart mag ik nog even panduri spelen met de muzikanten die het maar gek vinden dat ik mee kan zingen 🙂

Die avond zet ik mijn tent op precies dezelfde plek op en wordt ik weer vergezeld door de trouwe hond. Met een kampvuur en de ondergaande zon ben ik helemaal waar ik zijn wil.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *