De tweede fietsdag en mijn doel is vandaag Vita op te zoeken in Orah. Daarvoor ga ik weer richting Trebinje en dan klim ik naar boven om de bergrug over te komen, wederom met een schitterende zonsopgang.
Ik heb de duidelijke routebeschrijving alleen niet goed gelezen en fiets door tot Bileća… als ik daar nog eens de kaart erbij pak blijk ik weet 15km terug te moeten over de nu toch wel erg schaduwarme weg. Dat is net iets te heet om leuk te blijven maar boompje voor boompje lukt het me.
In Bileca tref ik wel een stukje Bosnisch erfgoed: de Stecci-stenen. Dit zijn grafstenen uit de middeleeuwen, die verspreid over het land te vinden zijn. Wat er precies op staat afgebeeld is gehuld in mysterie. Wel is duidelijk dat ze niet veel bescherming genieten: het veld lijkt op een afvaldumpplek (zoals veel plekken hier) en er is niet eens in informatiebord geplaatst. Een gemiste kans, lijkt me.


Dan bereik ik Orah, dat vanaf de weg een stuk naar beneden aan het meer ligt. Of eigenlijk lag, want het grootste deel van de huizen staat in de winter onder water. Dat is het gevolg van de constructie van een waterkrachtcentrale in 1968. De vruchtbare vallei en de inwoners van vijf dorpen moesten het ontgelden, en ook het functioneren van het karstlandschap werd aangetast. Wat een dynamische riviervlakte was werd tot een industriële en vervuilde omgeving.
Op weg naar beneden komt Vita me tegemoet lopen, wat enorm fijn om haar in deze omgeving te zien! Ze laat me zien hoe ze hier woont en werkt. Het uitzicht vanaf Kamen, het huis waar de kunstenaars wonen, is betoverend. Het altijd veranderende landschap blijft boeien, met het stuwmeer dat meerdere meters per dag zakt en daarbij verborgen ruïnes blootlegt. ‘s Avonds gaan we met zijn allen zwemmen in de rivier en genieten van een goede maaltijd.
De volgende ochtend maak ik met Vita een wandeling over de vrijgekomen vlakte langs het meer, langs actieve sinkholes en ruïnes. We worden op de voet gevolgd door Hazel de hond. Over de vlakte lopen ook twee kuddes wilde paarden en staan verspreid koeien. Daar hoort ook een kast van een stier bij, die ons vanaf de waterlijn heel de wandeling strak in het oog lijkt te houden.


Terug bij het huis maken we muziek onder de moerbeiboom met Sava en Temra, met trio-tunes, tijdelijke-vijf-liedjes en ander moois uit de Balkan en verder.
Ondertussen is er een watertekort in huis. Normaal gesproken komt de brandweer hier eens per week de cisterne bijvullen, maar vanwege de bosbranden kunnen ze nu niet komen. Dus we douchen niet en spoelen de wc’s niet door. Het drinkwater komt sowieso al uit flessen, dus aan drinkwater is geen tekort. Dan wordt besloten om naar beneden te rijden, om 150 L water in grote flessen te halen. Op het moment dat we hebben geaccepteerd dat het even aanpoten wordt, klinkt het gegrom van een grote vrachtwagen, als Deus ex machina. Het water klotst over de rand en een lange slang wordt uitgerold: hoera, water!!

‘s Avonds rijden we naar Trebinje, en hebben onder de platanen op het plein een ontmoeting met Brian, een obsessieve Britse prof met een liefde voor de Proteus, beter bekend als de blinde grotbewoner Olm. Hij vertelt in een woordenwaterval over de geologie van het karstgebied, maakt tekeningen, drukt ons op het hart niet te drinken uit de kraan, want dat water komt door loden pijpen uit het meer. Politiek gezien heeft hij een enorme hekel aan hoe het hier werkt met corruptie alom, dus probeert hij apolitiek te werken in zijn Proteus-project.
Er is hier inderdaad een hypergevoeligheid voor symbolen, voortkomend uit de ultranationalistische instelling. Op verkeersborden zie ik soms de cyrillische, soms juist de Latijnse namen doorgekrast, overal (in dit deel van het land) is de Servische vlag en het orthodoxe kruis te zien, en door een groen shirt op een verkeerde plek kun je worden aangezien voor moslim en uitgescholden. Met het verkeerde nummerbord in de regio kun je ongegronde boetes verwachten.
Met wat vrienden van Koštana maken we weer muziek, nu aan de oever van de Trebisnjica-rivier. Zonder elektra hebben we geen elektrische gitaar, en dan springt er ook nog zomaar een snaar van Vita’s viool. Maar zingen gaat nog wel en de pan die we als drum hebben meegenomen is onze begeleiding.
We leren wat lokale uitdrukkingen waarvan de vraag is of ze van pas gaan komen: ‘wat is een man zonder 100 kg?’, tagočanje ludom radovanje, (taggen is plezier voor de gekken), ‘kako čemo, lako čemo’ (maak het niet te moeilijk).
Door het wilde struikgewas naar de dieptes der aarde
De dag erop gaan ik, Vita en haar huisgenoot Monika met Brian op pad. Hij heeft Radoš meegenomen, die een probleem/liefde voor landrovers deelt en ons over de velden mag rijden. Vita en ik mogen zelfs voorop zitten terwijl Brian met zijn snoeischaartje als een ware Indiana Jones energiek de weg vrij maakt.
We rijden naar het noorden tot we ons in de Dabarsko Polje bevinden. Daar krijgen we nog een college over de landvormen typisch voor het karstgebied. Dit gebied is een tekstboek-voorbeeld, het is zelfs zo dat de internationaal gebruikte geomorfologische termen zijn gebaseerd op de namen uit deze regio.

Dan krijgen we helmen op, doen warme kleren aan en dalen we af in een spleet in de aarde. De koelte is een verademing. Brian neemt ons mee naar beneden en legt alles uit, staat stil bij de mooie vormen die de processen van het oplossen en weer neerslaan van kalksteen hebben doen ontstaan. Al is er geen olm, er is wel een pigmentloze grotpissebed en visje te zien. Als we de lampen even uitdoen en in stilte zitten voelt de grot knus, helemaal niet claustrofobisch zoals ik verwachtte.






In de volgende polje passeren we een voormalige dam met twee interessante constructies, molens die in twee richtingen konden werken afhankelijk van de richting van de waterstroom, die daarmee prachtig werkten in deze regio.
